In Vrijheid
door: Rashid Novaire

IN VRIJHEID
 
DE LIFTER EN HET REUZENRAD VAN EUROPA
 
                                                                                                             Vrijheid is vrijwillige gebondenheid
 
                                                                                                                                               Khrisnamurti
 
Bij de festiviteiten waarop mijn overgrootmoeder een lintje van Hitler kreeg was zij de enige vrouw die een bloemetjesjurk droeg. Tien zonen had ze gebaard. Kanonnenvlees. Voer voor de oorlog. Op de gekartelde, kleine groepsfoto in mijn handen zie ik hoe de stijf gestreken gewaden van gelauwerde moeders in het midden van de tribune samen een groot doek vormen, een zwarte vlag waarnaast het dessin van mijn overgrootmoeder M. haast oplicht als een teken van hoop te midden van naderend onheil. M. lacht, misschien is ze zich niet bewust van naderend onheil. Ze is een Pools-Duitse vrouw die in het zonnetje wordt gezet en dankbaar opkijkt naar het licht dat haar wordt geschonken. Waren haar zonen toen al bij de SS? Ik heb geen idee. Voorlopig begin ik met het kijken naar het beeld. Ik houd de foto op in het daglicht dat door mijn keukenraam stroomt. Ik raak haar glimlach aan met mijn vingertop, probeer te voelen wat er omgaat in haar hoofd. Probeer te ervaren hoe deze vrouw in de Nazi-tijd totaal onwetend was van het type nageslacht dat ze aan Europa mee zou geven. Haar nazaten. Mijn familie: een staalkaart van de Europese immigratiegeschiedenis. Een mengeling van Polen, Duitsers, Afrikanen en Zuid-Amerikanen. Mijn moeder, haar kleinkind, een Pools-Nederlandse. Ik, haar achterkleinkind, de zoon van een Marokkaanse mimespeler. Mijn halfzuster de dochter van een Surinaamse levenskunstenaar.
Kinderen die voortkomen uit het snijpunt waarop een man en een vrouw zochten naar vrijheid. De vrijheid om een deel van hun religieuze en culturele bagage in het land van herkomst achter te laten. De grote Europese vrijheid. De vrijheid om te zoeken. 
Het contrast tussen de antieke wereld van de foto in mijn hand en het zoekende multi-culturele continent waarvan ik deel uitmaak doet me denken aan ' Cowboy Harry' : een kinderserie waarnaar ik keek, iedere Zondagochtend.
 
Interieur. flat. grauwe voorstad.
Een oude man met een strohoed zit temidden van een groep twinkelende jongens en meisjes: zwart met lange dreads, wit met hanekam, bruin met afro's. De man met strohoed kijkt recht de camera in.
 
                                                             Cowboy Harry
                           Dit zijn al mijn kleinkinderen. Maar vroeger op de prairie was het heel anders......    
 
Een knipoog. Een fade-out. Een nieuwe episode van cowboy Harry's jeugdjaren.
 
 
                                                                                                  ***
 
Echter, voor de generatie van de meeste jonge 21-eeuwse Amsterdammers is ook de geschiedenis als een uitgestrekte prairie. Een gebied waarnaar we zelden omkijken. Hier geen nationalistische sentimenten, gevoed door een historische gebeurtenis die gegrift staat in het collectieve bewustzijn. Hollandse helden zijn nooit ouder dan de laatste talkshow. Flamboyante, rebelse politicus Pim Fortuyn is hier in een televisie-uitzending democratisch verkozen tot de grootste Nederlander aller tijden.
Geschiedenis leeft als een bruistablet in de woestijn. In de opgepoetste grand-cafe's, coffeeshops en lounge bars van onze stad wordt, naast over de minimale liefde die de dating-markt aan onze eenzame lichamen heeft te bieden, ook nog weleens gesproken over gebrek aan integratie, elitaire politiek in Brussel en terroristische dreiging maar zelden gaat het praten gepaard met historische argumenten.
Wel is inmiddels onze status als hoofdstad van de tolerantie aan het kelderen onder invloed van stemmen uit nabije Europese lidstaten die kalm uiteenzetten dat tolerantie gedijt bij een helder, doordacht standpunt waarnaast men het andere standpunt tolereert en niet onder het soort onverschilligheid dat bij gebrek aan eigen visie ook geen aandacht besteedt aan die van een ander. Echter zoals onverschilligheid vaak inwoont bij vluchtigheid behoort bij de vluchtigheid lang niet altijd de oppervlakkigheid.
 
Zelf bind ik me, in mijn spel van verbeeldingskracht, als jonge schrijver, zonder universitaire opleiding, steeds opnieuw op vluchtige wijze aan geschiedenis die ik vaak weer gedeeltelijk vergeet nadat ik erover heb geschreven. Of het gaat om de twisten op een V.O.C schip in de zeventiende eeuw, een erotische vertelling op Groenland, een roman over de ziel in het China van de elfde eeuw voor Christus of een transsexuele gezel in de ateliers van 19-de eeuwse schilders, ik lees erover, raak de sferen aan met mijn verlangen om te verhalen maar kan niet beweren dat ik structureel over kennis beschik die gekoppeld is aan deze historische thema's.
 
De grote europese vrijheid  is voor mij de vrijheid geworden om fictie te maken. Om binnen de context van een vertelling te liegen waarover ik wil.
 
Ik geloof dat de oorzaak van deze overmoed moet worden gezocht, ergens op de prairie tussen mij en de Pools-Duitse grootmoeder met haar opgespelde lintje. Het is het product van zowel de mystificatie ( ' wat is het ver en interessant' ) als de toe-eigening ( ' het hoort bij mij' ) van verschillende culturele aspecten binnen mijn familie die me in staat stelt om de mij onbekende daden en verlangens te durven verbeelden van mijn cultureel diverse personages.
 
In het korte verhaal ' de pupil'  van Harry Mulisch staat een jonge schrijver liftend langs een autoweg, ergens in Europa. Hij wacht lang. Een vrouw in een kleine wagen glijdt langzaam over het hete asfalt naar hem toe. Ze houdt stil. Ze opent haar portier. Ze neemt de jonge schrijver mee. Samen rijden ze langs de kust in de richting van zijn bestemming. Maar de eindbestemming van de schrijver is niet die van het verhaal. Ergens onderweg geeft de vrouw hem een geschenk: ze parkeren in de schaduw van een reuzenrad. Het mist aan zee. De roodbruine bakjes slingeren roestig langs hem heen om steeds weer in het niets te verdwijnen. Als hij in een van ze heeft plaats genomen en wordt opgetild ziet hij wat hem wordt gegeven; alle personages uit de boeken en verhalen die hij nog zal schrijven zweven met hem mee aan het reuzenrad.
 
Ik waan mij deze jongen. Een wanhopige Hollandse uitvaartondernemer, Chinese vrijheidsstrijders, negentiende-eeuwse schilders, een overgrootmoeder met een lintje.  Mijn personages. Deel van mijn reuzenrad. Mijn Europese vrijheid.   
 
' Alle fictie komt voort uit een verlangen naar waarheid '  Ik weet door dit proces van verbeelden een werkelijkheid te scheppen die mij een zo'n sterke illusie van waarheid schenkt dat ik nog maar zelden grondig de prairie oprijdt en me nauwgezet in de geschiedenis verdiep. 
 
Maar staat die artistieke vrijheid ook symbool voor maatschappelijke vrijheid in het Europese landschap?
Leidt het onstuitbare proces van vermenging van etnische afkomst en culturen tot een vernieuwing? Vormt het zich tot een bevolking die in de komende eeuw samen op vruchtbare wijze de waarheid liegen zodat we een grote Europese vrijheid kunnen scheppen en onderhouden?
 
Ik probeer iets van deze vragen te beantwoorden aan de hand van drie voorbeelden uit mijn eigen gefragmenteerde familiegeschiedenis. Sommigen liggen verder weg op de prairie. Anderen hebben versere sporen nagelaten en mijn eigen identiteit als Europeaan gevormd.
 
                                                                             1.
 
1913. Bottrop. Ruhrgebiet. Duitsland. Mijn oma verdrinkt in natte sla. Ze wordt door haar vele broers vastgepakt, getreiterd, ondergeduwd. Haar zusters klossen kant. De eerste wereldoorlog is in aantocht. De tijd, zal hij het kleine huisje bespringen, als een hyena in de nacht?
 
Net als vele kinderen in de grote Europese voorsteden groeit mijn oma tweetalig op. Ze spreekt het Pools van haar ouders en het Duits van haar omgeving. Haar vader is een mijnwerker. Gediscrimineerd worden ze dubbel want ze zijn mijnwerkerskinderen en ook nog Polen. Ik zie ze nagewezen worden met hun Slavische uiterlijk. Donkerharige jongens die zich in de bomen verschuilen om degenen onder te pissen die hen uitmaken voor Dreck.
Thuis ontstond er als antwoord op deze sociale marginalisering een duidelijke regel: Wij spreken voortaan Duits. Een paar Poolse woorden om te vloeken of je geliefde toe te fluisteren in het teder vergeten van nieuwe streken maar voor het overige: Wij zijn nog Duitser dan de Duitsers.
Het is mijn oma, het kleine meisje uit de grensstreek altijd blijven achtervolgen. Ook zij verplaatste zich over landsgrenzen. Ze emigreerde naar Nederland. In de tweede wereldoorlog keek ze als jonge vrouw vanuit het raam in haar smalle Amsterdamse woning stil naar de langsscherende vliegtuigen die op weg waren om haar familie te bombarderen en ook al stelde ze zich vierkant op achter het kleine land waar ze als een van de Duitse dienstmeisjes heen was gevlucht, ze voelde een verdriet waarvoor geen troost bestond, want zij hoorde in haar hart bij Duitsland. Het was nu eenmaal haar land, samen met al zijn dwaalwegen en duistere agressie.
Zelfs toen ze 's nachts door de gangen van een Nederlands bejaardentehuis dwaalde en ze, in de woorden van een dichter, ' een vrouw werd met een verhaal in de schoot waaruit de woorden zijn verdwenen,' bleef het verlangen naar Deutsch en Vornehm - zijn haar trouw.       
 
Deutsch en Vornehm. Mijn oma's loyaliteit als Poolse ten opzichte van het Duitsland waar ze geboren is kan worden omschreven als volledige assimilatie. Als reactie op het negatieve imago van Polen in Duitsland vergat ze de finesses van haar eigen culturele achtergrond. In Nederlandse discussies bleef ze Duitsland steeds verdedigen en ook al pleitte ze in de bezoeken aan haar familie in Bottrop wel degelijk voor de Hollanders en gaf ze een beetje inzicht in hun lijden, ze kwam niet op het idee dat zij zelf in haar bloed meer vertegenwoordigde dan de Duitse cultuur. Haar verlangen om een zuiver Duits meisje te zijn werd haar ingefluisterd door zowel haar omgeving als de tijdsgeest.
 
De grote deuren van de vrijheid zullen zich openen door het volledig opgaan in een nieuw milieu.
 
 
                                                                         2.
 
1967. Rabat. Marokko. Mijn vader kijkt in de spiegel van de theaterschool. De gloed van zijn aanzicht bezwijkt in eeuwig theater. Hij knippert met zijn ogen.
De vrouw te zijn die je verlangt, het kind dat een is met de grijze bulldozers en stoffige glazen flessen. Dromen over Europa zwerven in de sterrennacht. Warme lichamen smelten onder het beschermende geluid van de laatste koranlessen.
 
Net als duizenden mannen in het rif-gebergte, op zoek naar economische vrijheid, geeft mijn vader in de zestiger jaren gehoor aan de lokroep van Europa. Maar hij verkeert niet in dezelfde schaarste als de meeste gastarbeiders. Zijn vader en moeder geven hem bij de geboorte weg aan een kinderloos gezin. In een voorstad van Rabat groeit hij in liefde en zorg op bij deze man en vrouw op leeftijd die hem verzorgen, naar Mekka brengen en eenmaal terug in Marokko naar de theaterschool laten gaan.
' Geluk is daar waar je niet bent,' zegt Goethe en terwijl mijn vader een paspoort in de hand krijgt gedrukt om, voor een productie, mee naar Tunesia te reizen begint hij door een klein gaatje in het gordijn van alledag te gluren. Erachter: de droom van grote Europese vrijheid.
Toch lag zijn zekerheid in Marokko. Hij behoorde immers van huis uit tot de groep geprivilegieerde mensen die altijd een baan bij de Koning kon krijgen. Waarom weggaan? 
Omdat iedereen weg wilde. Om het bidkleedje te laten verstoffen. Het biertje dat hij al in Marokko dronk op de bar te zetten zonder zich tweemaal nerveus om te draaien. Om zelf de waarheid te liegen als de acteur die hij zou worden bij Nederlandse gezelschappen. Een reuzenrad te betreden met nieuwe personages.
Zijn Europese droom was niet om op te gaan in een nieuw milieu, eerder om zich er volledig in onder te dompelen. Een dompelbad van bijna veertig jaar. Twee jaar aan de lopende band in een fabriek en een enkele reis naar het flamboyante Amsterdam. Daar was hij de mimespeler. De man met het witgeschminkte gezicht. Daar speelde hij Schiller in de Amsterdamse Schouwburg, omarmde de hele wereld op het Leidseplein en bedreef de liefde met duizend vrouwen en evenzovele mannen. Bisexualiteit. Het was een gewoonte die hij in zijn koffer meenam, onder het motto van culturele bagage uitpakte en blijmoedig programmeerde binnen zijn Nederlandse repertoire.
Zoals het florissante leven van vele gastarbeiders in Europa werd ingebonden door de wetten op gezinshereniging, de komst van hun vrouwen uit het land van herkomst, zo was er niets dat mijn vaders vrijheid kon inbinden. Goed, hij kwam mijn Nederlandse moeder tegen en kreeg mij, een zoon. Goed, hij werd door die vrouw verlaten en kwam in confrontatie met de normen en waarden rond het Westerse vaderschap. Er werd hem te verstaan gegeven dat hij in gebreke bleef. Financieel. Qua interesse. Qua emotionele inleving in een snikkende zevenjarige. Hij kreeg van mijn moeder een tegeltje ' vader worden is een gunst, vader zijn een hele kunst' Hij nam een klein spijkertje en hing het tegeltje aan een kale muur. Niet als weerwoord. Hij had geen weerwoord. Voor het woord vader hadden ze voor hem ook ' europeaan' mogen invullen want de Europese vrijheid droogde langzaam op ook al bleef het geld binnenvloeien in de vorm van sociale zekerheid.
Waar bestond die vrijheid nog uit?
De afkick-kliniek. Het smoezelige seksblaadje dat de illegalen die in zijn huis logeerden er hadden verstopt. De steeds korter durende screen-time van zijn gastrollen op tv.
En zoals er in zijn vaderland altijd nog het vangnet was van familie, al was het maar een plaats op de bank vanwaar je de televisie de uren kon zien verdrinken, ving hij nu duistere verwijten op van zijn ex-vrouw en zoon over nalatig vaderschap.
Waar hadden ze het over? Hoe kon je iemand iets verwijten die de spelregels niet kent?
 
Gelukkig was hij niet samengevallen met zijn geleende Europese identiteit. Hij kon opstaan uit het dompelbad, zich afdrogen en beginnen te luisteren naar de koppelaars die soms in Amsterdamse achterstandswijken opduiken om een maagdelijke bruid uit Marokko te slijten aan een oudere man wiens carrousel van westerse personages voor de ogen begint te draaien.
In de zomer van 1994 belde mijn vader me vanuit een telefooncel in Marokko en vertelde me dat hij het druk had, dat hij zou gaan trouwen. ' Het is druk,' zei hij. ' Druk met wat?' vroeg ik. Ik kon hem slecht verstaan. Ik hield de hoorn een eindje van me vandaan. ' Een bruiloft,' antwoordde hij. ' Wie gaat er trouwen?' vroeg ik. ' Je vader,' zei hij.
 
In de jaren die volgden verdwenen de laatste Europese personages uit het reuzenrad van mijn vaders leven. Toch was het niet de afwezigheid van mijn eigen foto's, de satelliet die meteen op het balkon werd geplant voor de Arabische soaps of de stilte rond vroegere Nederlandse vrienden die het slotakkoord gaven van een mislukte integratie. Het was het onvermogen om de vrijheid te verdedigen. Het gebrek aan kritiek op de eigen culturele achtergrond.
Al had Koning Mohammed in het land van herkomst al een waarheidscommissie opgericht in een poging om de misdaden van zijn vader Koning Hassan recht te zetten, in het Europa van de franse revolutie kwam mijn eigen vader niet veel verder dan: ' Wie gestraft wordt door de Koning zal wel iets fout hebben gedaan.'
 
 
 
                                                                       3.                                                                     
 
Paramaribo, 1965, De boot vaart weg van Tropische kusten. Ai, ik zie de zwaaiende menigte. Ik zie de muziek van uitzichten . Ik zal waken, bij de kruising van continenten.
 
Mijn moeder hield van donkere mannen. Voor mijn vader kreeg ze een dochter van een Surinaamse man. Een van de eerste Surinamers in het Nederland van de jaren zestig. Pioniers malen niet om immigratiestromen. Hij had zijn vrijheid al bevochten in de Verenigde staten. Zijn leven in Europa leek me altijd een ode aan het soort vrijheid dat is verankerd in passie. Zoals ' echte passie nooit vrijblijvend is' veroverde hij zich een plaats als held in het collectieve geheugen van de stad. Hij liep in een wit gewaad met een wandelstok. Hij schreef een boek ' het onsdom' dat voor altijd in de la zou blijven liggen. Hij orakelde in nachtcafés. Hij schonk acht kinderen aan vijf verschillende vrouwen. Zeven leven er in Europa, een stierf er. Bij gebrek aan burgerzin werd vrijheid voor hem iets van leven in de marge. Ongebonden. Onbemiddeld. Ik heb hem nooit horen klagen. Ik heb hem nooit gekend. Ik weet alleen dat helden meestal weer op de prairie van de geschiedenis verdwijnen, zoekraken. De vader van mijn zuster nam de boot terug naar Suriname.
 
Drie voorbeelden uit een familiegeschiedenis. Wat is nu de beste weg om met alle cultureel diverse geschiedenissen in ons continent de waarden van de franse revolutie hoog te houden? Wat is de meest vruchtbare houding voor nieuwe Europeanen?
 
Assimilatie, het volledig opgaan in een ander milieu, heeft in onze tijd een besmette klank gekregen die wordt geassocieerd met het zuiveren van de Westerse cultuur van niet-Westerse elementen. Toch is opgaan in een ander milieu een nobel streven. Het is ook onvermijdelijk dat in de aankomende decennia stromingen als ' de Europese islam'  zullen ontstaan die juist vanuit Europees perspectief mondiale politiek bekritiseren onder het motto van Benjamin Franklin: ' Rebellie tegen tirannen is gehoorzaamheid aan god.' Ook hoop ik op het meisje dat op het groentekistje gaat staan en zegt: " Mijn ouders zijn moslim, maar ik niet.'      
 
Het tweede verhaal. Falende integratie, het zich, vaak uit teleurstelling, bewust afkeren van de Europese cultuur staat inmiddels zo hoog op de politieke agenda dat het gevaar dreigt dat van maatregelen om de integratie te bevorderen een averechts effect uitgaat. Beleidsplannen om allochtonen met een Nederlands paspoort alsnog een verplichte inburgeringcursus te laten volgen?
Helaas, juridisch niet haalbaar. Maar de intenties zijn duidelijk voor grote groepen nieuwe Europeanen.
Wij voldoen niet. Wij dragen niet bij aan de Europese vrijheid. Wij zijn enkel een bedreiging voor die vrijheid.
 
En het einde van het derde verhaal: de boot nemen?
 
In een opgepoetst grand-café sprak ik laatst met vrienden over een televisie-uitzending waarin drie generaties Turken vertellen over hun band met Nederland. De jongste zoon voelde zich het meest buitengesloten in de Nederlandse maatschappij. Hij leunde voor de camera achterover op de blauwleren bank en vertelde met neergeslagen ogen dat hij best in Turkije zou willen leven. Een plaats waar ze hem zouden begrijpen.
Mijn vrienden in het café schudden het hoofd. ' Nou, ik denk dat hij zich daar ook wel buitengesloten zal voelen,' zeg ik met de zelfvoldane glimlach van iemand die belering fuseert met leedvermaak.
' Natuurlijk,' zeggen de anderen. ' Het is echt erg jammer dat hij zo denkt.'
 
Toch, denk ik ' s avonds met mijn eigen familiefoto's om me heen, moet hij naar Turkije gaan. Ik hoop dat hij ons ooit laat weten hoeveel hij daar heeft gewonnen of verloren. Ik hoop hem te kennen, die lifter. Ik heb zijn kennis nodig.
Want wie niet lift, wordt nooit meegenomen naar zijn reuzenrad. Om personages te zien in roestige roodbruine bakjes. Personages die je leven zullen gaan vormen. Mensen om in vrijwillige gebondenheid de waarheid mee te liegen, in vrijheid.
 
 
Rashid Novaire